Door Fransien van der Putt gepubliceerd 9 juli 2017

Tijdens Julidans in het Bijlmer Parktheater deelde de gelauwerde Frans-Senegalese danseres en internationale goeroe op het gebied van de ontwikkeling en spreiding van moderne Afrikaanse dans, Germaine Acogny, het podium met de dansers en muzikanten van de Amsterdamse Afro-jongeren organisatie Untold. Acogny danste een solo van Olivier Dubois, Mon élue noire, een herschrijving van de Sacre uit 2015. Untold liet een try-out zien van Konfo, een stuk van de jonge choreografe Desta Beekman, die onder andere studeerde bij Acogny. Konfo gaat over spiritualiteit en rituele tradities die West-Afrika en Suriname, vanwege de slavenhandel, met elkaar delen. Beide stukken dealen met de verwoestende effecten van het kolonialisme, zij het op een totaal andere manier.

Olivier Dubois maakt een serie over de Sacre, hetgeen past in zijn aandacht voor uitsluiting en bètes noires. De Sacre is niet alleen een revolutionair muziek- en dansstuk, in de oeropvoering vertoont het alle trekken van koloniaal exotisme en de glorificatie van het hoegenaamd primitieve. Begin twintigste eeuw was dat hip. In latere versies als die van Béjart en Bausch wordt het offer uitdrukkelijk als slachtoffer van maatschappelijk geweld voorgesteld. Recenter stelt een choreograaf als Laurent Chétouane voor om het offer gewoon maar helemaal te schrappen. De Sacre levert duidelijk een script om over onderdrukking en emancipatie na te denken.

Dubois plaatst Germaine Acogny in een inmense vitrine midden op het podium. Het beperkt haar bewegingsvrijheid en maakt van haar een object van vertoon. De vraag is echter wie daar gevangen zit. Dubois geeft haar vele rollen mee. Het lijkt er op dat kolonisator en gekoloniseerde haar lichaam delen, maar dat uiteindelijk een vrouw die al rokend contact houdt met de doden de belangrijkste figuur is, en alle andere rollen in zich opneemt.

Onderwijl schettert de Sacre mee, en het verhaal van offeren voor wie dat aan de hand van alleen de muziek kan volgen. Acogny steekt er de draak mee door malloterig mee te zingen, la-la-la, maar een moment later eigent ze zich ook de grootse en grillige kwaliteit van Stravinsky toe. Aimé Césaire wordt aangehaald en de binnenkant van de vitrine wordt een canvas, waar de tentoongestelde zelf aan het schilderen slaat. Maar het zou ook witte klei kunnen zijn, die bij rituelen gebruikt wordt om magische voorwerpen mee in te smeren.

Het einde van Mon élue noire is jammer genoeg in raadsels en rookwolken gehuld. Ik vermoed een engel der wrake, die allicht het museum aan het overnemen is, maar tot een heldere pointe komt het al te associatieve Mon élue noire niet. Ook op choreografisch gebied, met een superdanser als Acogny voor je snuffert, zou je verwachten dat Dubois er wat meer had uitgehaald.

Konfo is op een heel andere leest geschoeid: amateurdansers en muzikanten die zich voor dit project verdiepten in West-Afrikaanse dans en Desta Beekman die daarmee een choreografie maakte over spiritualiteit. Hier wordt een traditie geconserveerd, teruggehaald en opnieuw beoefend. Konfo zit opvallend swingend in elkaar, en sommige scènes onttrekken zich geheel aan wat ik wel een probleem vind, namelijk het openluchtmuseumkarakter dat het doen van dansen van ooit of elders nu eenmaal aankleeft. Maar de performers hebben er zo veel plezier in dat van stoffig folklorisme geen sprake is.